English version
WWW.GRADSTAAT.NL




BEGINPAGINA

ZONDAG-
BESTELLING


BESTELLER-
STEMPELS

PUNTSTEMPELS

POSTSTUKKEN
VERTELLEN










EMAIL














BESTELLERSTEMPELS

In de tweede helft van de negentiende eeuw ontstond de behoefte aan meer controle op de bestelling van brieven. Voor dit doel ontvingen de postkantoren zogenaamde 'nommerstempels'. Elke besteller kreeg zijn eigen stempel met uniek nummer en diende deze op de achterzijde van de te bestellen stukken met zwarte inkt af te drukken. Door verzamelaars werden deze stempels al gauw "bestellerstempels" genoemd.

Voorafgaand aan het verplichte gebruik vanaf 1867 hadden enkele grotere steden voor dit doel al een eigen stempeltje in gebruik, die hetzij een aanduiding hadden welke besteller het poststuk besteld had, danwel in welke bestelronde van de dag de brief of kaart besteld was.
Amsterdam was de eerste stad die een dergelijk stempel in gebruik nam. Vanaf 1855 werd een klein stempeltje met uitsluitend een nummer gebruikt. Al snel volgden andere plaatsen. Omdat dit stempel vrij onduidelijk was, werd dit enkele jaren later vervangen door een exemplaar met grotere cijfers in een circel. Hiervan zijn meerdere varianten bekend, met verschil in grootte, lettertype en omranding.

Briefomslag verzonden op 5 oktober 1866 vanuit Haarlem naar Amsterdam, met op het
naar de achterzijde gevouwen gedeelt het aankomststempel en bestellerstempel 45.


Tot 1867 zijn in veel plaatsen veel verschillende stempels in gebruik geweest. De steden Amsterdam en Haarlem met ieder heel veel varianten. De overige steden hebben slechts 1 of 2 verschillende vormen in gebruik gehad die zowel als bestellerstempel maar ook als bestellingstempel dienst deden.
In Amsterdam bijvoorbeeld plaatste men buiten het tot dan toe gebruikte stempel in de periode van 1858 tot 1865 op stadsbrieven nog een ander, welk bestond uit een liggend streepje met daar onder het cijfer 1, 2, 3, 4 of 5, waaruit bleek in welke bestelling van de dag het stuk besteld was. In Leeuwarden werd een gelijkvormig stempeltje gebruikt. Hier gaf het nummer in het stempel echter het nummer van de besteller aan.

Vanaf 1867 werden uitsluitend stempels verstrekt met een vast nummer, gelijk aan dat op de nummerplaat van de besteller. Later kwam dit nummer ook voor op de uniformkraag van de besteller zoals te zien is op het fragment van een oude prentbriefkaart. Tevens werd in het stempel met een los letterkarakter de bestelling aangegeven. Een A voor de eerste bestelling van die dag, een B voor de tweede enz.


Fragment van een oude prentbriefkaart met de afbeelding van
een besteller met zichtbaar nummer op de uniformkraag.


Het nieuwe stempel kwam voor in vier verschillende modellen.
Amsterdam ontving in december 1867 een ellipsvormig model met de letter A tot en met I voor de 9 bestellingen van de dag. Dezelfde datum kregen de bestellers in 's-Gravenhage een rechthoekig stempel met afgeschuinde hoeken uitgereikt met de letters A tot en met G. Rotterdam ontving een rechthoekig stempel met de letters A tot en met G en enkele maanden later nam Utrecht een stempel in gebruik, een bikkelvormig model (ovaal met ingebogen zijden), eveneens met de letters A tot en met G.
Uit deze stempels blijkt wel dat het aantal bestellingen per dag in schril contrast staat met de enkele bestelling die men tegenwoordig hanteert.


De vier verschillende vormen van het stempel.


Vooruitlopend op het verplichte gebruik van de bestellerstempels vanaf 3 september 1872 hadden inmiddels ook al enkele andere steden het stempel in gebruik genomen. Dordrecht gebruikte het rechthoekige model met afgeschuinde hoeken, gelijk aam 's-Gravenhage, en Leiden het rechthoekige model zoals in Rotterdam werd gebruikt. Schiedam ontving het bikkelvormige model. Het heeft vrij lang geduurd voordat alle kantoren van stempels waren voorzien. Apeldoorn pas in 1880.
De poststempelfabriek, gevestigd in het pand van 's-Rijks Munt in Utrecht, is uiteraard vele jaren doorgegaan met de productie van de stempels. Maandelijks werden stempels vervaardigd met hogere nummers voor de plaatsen waar een uitbreiding plaats vondt van het aantal bestellers. Het allerlaatste gemaakte stempel was een rechthoekig exemplaar met het cijfer 11, bestemd voor het postkantoor in Sneek welke werd afgeleverd in 1901.
Bij elk geleverd stempel hoefde men geen complete set letterkarakters te leveren. Men kan zich natuurlijk voorstellen dat niet elke besteller in Amsterdam zelf alle 9 ronden in zijn wijk liep.
Aanvankelijk stelden de Posterijen voor om bij de vijfde stad die bestellerstempels ging gebruiken een andere variant te gebruiken, doch uiteindelijk werd voor een van de vier bestaande vormen gekozen. In de jaren daarna werd de Poststempelfabriek nog herhaaldelijk voor dezelfde keuze gesteld, maar uiteindelijk werden in geheel Nederland stempels in gebruik genomen in steeds een van de vier varianten. Vanaf 1906 werd zelfs alleen nog het rechthoekig model met afgeschuinde hoeken verstrekt.

Het stempel bestond dus uit een letter en een nummer in een omranding. Elk stempel had een vast nummer en een uitsparing waar een los letterkarakter door de postbode in kon worden geplaatst. Een veertje vergemakkelijkte het omwisselen. Voor elke bestelling diende de besteller dus het losse letterkarakter te wisselen voordat hij de stukken hiermee stempelde en dat leidde soms tot leuke rariteiten.


Briefkaart met een bestellerstempel waarin de letter A, de eerste
lichting van de dag aangevende, op zijn kop geplaatst is.


De letter B is op zijn kop gezet.


Het gebruik van dit stempel was verplicht gesteld. De hier onderstaande briefkaart laat echter zien dat als er geen stempel beschikbaar was de besteller toch aan de verplichting wilde voldoen en een voor de hand liggende oplossing koos. Het potlood. Bij gebrek aan een stempeltje werd een potlood gebruikt om later toch de bestelling en de besteller na te kunnen gaan.


Besteller 251 en de tweede bestelling van de dag.


Aan de andere kant werd het bestellerstempel bijvoorbeeld weer gebruikt als de besteller ontdekte dat een postzegel op brief niet afgestempeld was met het daarvoor bedoelde vernietigingsstempel. Voor verzamelaars toch leuker dan de tegenwoordige gebruikelijke pennenstreek dwars over het zegel.



Met bestellerstempel ontwaarde postzegels.



Briefkaart met ingedrukt waardezegel vernietigd met bestellerstempel B 35.


Alle brieven en briefkaarten werden aanvankelijk op de achterzijde gestempeld, maar om dat deze zijde vaak vol geschreven was is men vanaf 1873 al begonnen met het bestellerstempel op de adreszijde van het te bezorgen stuk te plaatsen.



Achterzijde van briefkaart uit 1873 met bestellerstempel.


Vanaf 1877 kregen in enkele grote steden de hoofdbestellers eigen stempels, qua vorm afwijkend van het gebruikelijke bestellerstempel. Dit stempel werd gebruikt door ambtenaren die op de kantoren toezicht hielden op de bestellingen.
Verder hielden deze zich bezig met het uitzoeken van brieven met onvolledige adressen en het retourneren van onbestelbare stukken. Het stempel bevatte uitsluitend het persoonlijke nummer van de besteller.



Hoofdbesteller 41 uit Den Haag.


De hoofdbesteller was ook diegene die de letterkarakters beheerde die de bestellers voordat ze aan hun bestelronde begonnen door hem kregen uitgereikt en nadien weer bij hem in moesten leveren.

Vanaf 1 mei 1875 trad er een reglement van orde voor brievenbestellers van kracht, waarin ten aanzien van onbestelbare brieven het volgende werd voorgeschreven.


Art. 14. ,,De brieven die in een wijk onbestelbaar zijn, worden na afgetekend te zijn met het woord "onbekend" aan den oudsten dienstdoende besteller van de volgende wijk ter hand gesteld, en zoo vervolgens van wijk tot wijk: met dien verstande, dat geen brief langer dan gedurende den tijd van twee bestellingen in dezelfde wijk mag worden opgehouden".


Een poststuk dat al in bestelling was geweest, maar niet bezorgd kon worden werd, meestal na tussenkomst van de hoofdbesteller en nadat er 'onbekend' op was geschreven, aan de besteller van een andere wijk gegeven. Deze op zijn beurt keek tijdens zijn ronde of de geadresseerde in zijn wijk woonde, maar stempelde het stuk ook af. Dit had tot gevolg dat er brieven of briefkaarten voorkomen met meerdere bestellerstempels en geschreven aanduidingen.




Hierboven een kaart met een onvolledig adres. Het stuk kon door besteller 784 niet tijdens de eerste bestelronde worden bezorgd. Deze heer bleek in de Balistraat te wonen (zie aantekening) Waarschijnlijk is dit adres gevonden door tussenkomst van de hoofdbesteller die evenals de bestellers zelf zijn eigen stempeltje op het stuk plaatste.
De kaart werd in de tweede bestelronde meegenomen door besteller 440 en hoogstwaarschijnlijk bezorgd.

Hieronder ziet u een voorbeeld hoe het er in de meeste gevallen daadwerkelijk aan toe ging.

De geadresseerde was onbekend en/of het adres was niet volledig en de brief kwam bij de hoofdbesteller terecht. Die ging op het kantoor de bestellers van de diverse wijken langs en vroeg hen of ze de geadresseerde kenden en of deze in hun wijk woonde.
Elke besteller zette zijn eigen stempel op het poststuk, als teken dat ze de brief onder ogen hadden gehad. Omdat de brieven niet daadwerkelijk in een bestelronde mee de wijk doorgingen werden de stempels meestal zonder de letter van de bestelling geplaatst.
Hoe meer bestellers door de hoofdbesteller werden aangesproken over deze brief, hoe meer stempels er geplaatst werden.



Ansichtkaart uit Frankrijk naar Den Haag, behandeld door hoofdbesteller 3.


Een groot deel van alle verzamelaars zal deze kaart terzijde hebben gelegd omdat het veel te zwaar gestempeld is, terwijl de stempels die er op staan allemaal veel voorkomende exemplaren zijn.

Door de uitbreiding van de grote steden werden de daar onbestelbare stukken onooglijke vootbeelden van diverse bestellerstempels en met de hand geschreven aanduidingen. Terwijl bij briefkaarten veelal niet voldoende plaatsruimte was voor meerdere stempels.

Om dit tegen te gaan werden op enkele grote kantoren gedrukte lijstjes gebruikt, welke op de achterzijde van de poststukken werden geplakt.

De bestellerstempels moesten achter de nummers van de wijken worden afgedrukt. Zo gebruikte Rotterdam in 1912 een lijstje met "Onbekend" waaronder 1e wijk . . t/m 20e wijk en Utrecht in 1913 lijstjes met "Onbekend te Utrecht", 1e wijk . . t/m 8e wijk naast 8 ongenummerde wijkvermeldingen.



Een lijstje zoals deze in gebruik geweest is in 's-Gravenhage met
1e wijk . . t/m 18e wijk en een stempel "onbekend te 's-Gravenhage".



Afschaffing

Rond 1915 stopte men ment de produktie en uitgifte van bestellerstempels en het verplichte gebruik werd afgeschaft.
Het gebruik van het stempel op de kantoren nam in de jaren daarna langzaam af en het duurde tot 1930 voordat dit alom bekende, maar daarom niet minder interessante, stempel geheel niet meer werd gebruikt.





Copyright: 2007 www.gradstaat.nl